Personal mixers

Naast de bekende floormonitors en in-ear systemen komt het steeds vaker voor dat muzikanten om een zogenaamde personal monitor mixer vragen. Hoog tijd om de voor- en nadelen van dit systeem eens op een rijtje te zetten.

Een personal mixer is niet een aparte technicus voor elke muzikant, maar een compact systeem waarmee iedereen zijn eigen monitormix kan bepalen. Inmiddels is er een behoorlijk aantal fabrikanten actief met dergelijke systemen. De pionier op dit gebied is Aviom geweest. Een personal mixer (PM) is meestal een klein meng- paneel voorzien van zestien kanalen zodat de muzikant zelf zijn eigen geluidsbalans kan bepa- len op het podium. In de meeste gevallen gebruikt de muzikant in dit geval een in-ear sys- teem als monitoring.

EENVOUDIG

De gebruikelijke functies op een PM zijn: volume per inputkanaal (ieder van de 16 kanalen kan apart in volume geregeld worden), panorama (balans tussen links/rechts) regeling per kanaal, regeling voor de lage en hoge tonen, een mas- tervolume en een aantal presets waar je de diverse settings in kunt opslaan. Een PM-sys- teem bestaat uit een centrale verdeelunit die via zogenaamde cat-5 verbindingen naar de kastjes op het podium gaat. Op de verdeelunit kun je nog zaken instellen als linken van kanalen (om de kanalen tegelijkertijd te corrigeren) en zoals gezegd ingangsvolume (bij de analoge hoofdun- its). Om de PM-kastjes goed te kunnen plaatsen op het podium zijn er beugels beschikbaar om een PM-systeem aan een microfoonstatief te bevestigen. Voor de gebruikers van een 19”-rack op het podium (zoals keyboards, et cetera) bestaat er ook een 19”-versie van de PM die eenvoudig in het bestaande rack ingebouwd kan worden.

CONTROLE

Een groot voordeel van een personal mixer is natuurlijk dat de muzikant niet afhankelijk is van een monitortechnicus. Nadeel van het systeem is dat het aantal kanalen relatief beperkt is. Momenteel is zestien kanalen het maximum. Omdat de zaalmix meestal meer kanalen heeft, wordt er dan een submix (mix van diverse kana- len naar één mix) gemaakt door de monitor- of zaaltechnicus. Dit gebeurt bijvoorbeeld vaak bij de drumkanalen. Veelal is een drumkit voorzien

van minimaal tien microfoons. Hiervan wordt vaak een submix gemaakt zodat er op de perso- nal mixer maar twee kanalen drums binnenko- men.

Een ander nadeel van een personal mixer is dat deze feitelijk alleen maar goed bruikbaar is als de muzikanten gebruik maken van in-ear moni- toring. Personal mixers beschikken namelijk slechts over een betrekkelijk eenvoudige toonre- geling (alleen laag en hoog) en dat is over het algemeen niet voldoende om floormonitoren op een goede wijze aan te kunnen sturen. Daar- naast kan dit problemen opleveren voor het zaalgeluid omdat de zaaltechnicus geen controle heeft over het podiumvolume.

EXTRA’S

Toch wordt dit systeem steeds populairder en komen er steeds meer leveranciers van aanver- wante apparatuur. Voor nagenoeg elke mengta- fel bestaat er nu wel een manier om er een per- sonal mixersysteem mee aan te kunnen sturen. Yamaha maakt bijvoorbeeld gebruik van insteek- kaarten die direct in de digitale mengtafel geplaatst kunnen worden, Midas heeft een externe converter en Digico en Soundcraft

maken gebruik van een specifiek voor dat doel ontwikkelde insteekkaart die in het stageblok geplaatst kan worden. Kortom: ook de aansluit- vriendelijkheid van deze systemen is prima geregeld. Naast voornoemde digitale opties zoals insteekkaarten leveren verschillende fabri- kanten ook een recht toe recht aan analoge optie. Hiermee kun je zestien kanalen analoog insturen op zowel line- als microfoonniveau. Deze unit beschikt over een volumeregelaar waarmee het ingangsniveau gecorrigeerd kan worden om ervoor te zorgen dat het ingangsni- veau van alle kanalen gelijk is.

IDEAAL

Een PM-systeem geeft elke muzikant ongekende controle over de eigen monitormix. De zestien kanalen zijn in de praktijk meestal ruim voldoen- de en de bediening is ronduit eenvoudig. Een nadeel is dat elke personal mixer door middel van een kabel verbonden moet zijn met de hoof- dunit. Dat gaat problemen opleveren met zangers die veel over het podium lopen. Met name voor optredens met veel muzikanten in een vaste opstelling die er geen problemen mee hebben met in-ear monitoring te werken, is een PM-systeem een ideale oplossing.

Digitale mengtafels 2

Twee maanden geleden schreef ik op deze plek dat de kwaliteit van digitale mengtafels tegenwoordig min- stens zo goed is als die van analoge. Nu ga ik iets dieper in op een aantal specifieke eigenschappen van digitale mengtafels.

Een groot verschil tussen digitale en analoge mengtafels is de werking van de toonregeling. Bij een analoge mengtafel gaat het signaal door een aantal analoge componenten en wordt het te verkrijgen effect volle- dig bepaald door te variëren in de waarde van weerstanden en conden- satoren. Hierdoor ontstaan ook, al dan niet gewilde, bijeffecten en afhankelijk van de tolerantie (afwijking) van de weerstanden en condensatoren krijgt het geluid een bepaalde kleuring.

MAXIMUM

Digitaal werkt dit volstrekt anders. Het signaal gaat in een DSP (digital sound processor) en wordt daar bewerkt met een zeer grote nauwkeu- righeid. Het signaal komt er precies zo uit als we aan de DSP hebben ver- teld. In theorie zonder kleuring en ook de tolerantie van de componen- ten speelt feitelijk geen enkele rol meer. Iedere DSP doet exact hetzelf- de binnen dezelfde mengtafel. Het voordeel hiervan is enerzijds dat we de toonregeling eenvoudig kunnen kopiëren naar andere kanalen waar we dezelfde instelling nodig hebben. Anderzijds missen we ook vaak iets

aan de klank. Niets is mooier dan een overstuurde preamp (inputversterker van de mengtafel) die vervolgens op hoog niveau door de toonregeling van een analoge mengtafel gaat voor bijvoorbeeld de bassdrum. Doordat je met analoge technieken een rela- tief hard signaal door een mengtafel kunt sturen, ontstaan er allerlei har- monischen die we vaak erg mooi vin- den klinken. Digitaal is dat niet moge- lijk aangezien het maximum ingangs- volume van een DSP veel lager ligt.

INTERPOLATIE

Een ander nadeel van de toonrege- ling van een digitale mengtafel is dat we vaak iets anders horen dan het scherm op de mengtafel ons vertelt. Dat heeft praktisch gezien voorname- lijk te maken met de (te) hoge kwali- teit van de digitale techniek. Het sig- naal is heel schoon en er ontstaan geen extra harmonischen ten gevol- ge van vervorming in componenten et cetera. Om het gewenste effect te bereiken moet je van een bepaalde frequentie veel meer weghalen of bij versterken. Het scherm geeft daad- werkelijk weer wat er gebeurt. In de praktijk negeer ik het scherm dan ook liever. Overigens heeft Midas

met de introductie van hun serie digitale mengtafels dit probleem onderkend en Midas ‘interpoleert’ alle informatie die analoog wel, maar digitaal niet ontstaat bij het gebruik van toonregeling. Met andere woor- den: Midas laat, door toepassing van interpolatie, hun digitale toonrege- ling exact hetzelfde klinken als hun zeer geprezen analoge toonregeling zoals die werden toegepast in meng- tafels als de XL3 en de XL4. Overigens realiseer ik mij dat over een aantal jaren het ‘probleem’ van het verschil tussen wat het scherm ons vertelt en wat we horen waar- schijnlijk niet meer bestaat. Analoog mixen is dan helemaal verdwenen en dus zijn we volledig gewend aan de eigenschappen van de digitale mengtafel.

OPSLAAN

Een voordeel van digitale tafels is dat nagenoeg alle instellingen opgesla- gen kunnen worden. Dit is erg prak- tisch en geeft ons de mogelijkheid om een show die we vaker gaan doen op te slaan en bij het volgende concert roepen we eenvoudig de des- betreffende stand weer op. Dit heeft ook een nadeel. Je moet het wel

doen. Ik zie technici dit in de praktijk erg vaak vergeten. Het gevolg is dat wanneer je per ongeluk een andere stand gaat laden alles van de vorige verdwenen is. Wen jezelf aan om regelmatig op de save knop te druk- ken en kopieer met enige regelmaat je show even naar een USB-stick.

FANTASTISCH GELUID

Een digitale mengtafel werkt welis- waar anders dan een analoge maar met de superieure kwaliteit van de nieuwe generatie digitale mengtafels is er nagenoeg geen verschil meer hoorbaar. In de praktijk zie ik nog regelmatig dat bepaalde technici zweren bij analoge mengtafels, maar dit heeft volgens mij voornamelijk te maken met de andere wijze van bedienen. Het aanbod van analoge mengtafels neemt steeds verder af en het is raadzaam de tijd te nemen om je de bediening van een digitale mengtafel eigen te maken. Zorg dat je, zeker als je regelmatig op festi- vals speelt, de bekende merken kunt bedienen. Wat is er nu handiger dan op een festival aankomen, jouw show vanaf een USB-stick inladen en altijd een fantastisch geluid te heb- ben?

Een goede soundcheck

Als het goed is, vergroot een soundcheck de kans flink dat je band ook in de zaal klinkt zoals je wilt. Als het goed is, want er blijken nogal wat haken en ogen aan de soundcheck te zitten. Musicmakers Livesounddokter Auke Meijer geeft een aantal voorbeelden. Een goede soundcheck.

TEKST: AUKE MEIJER

De soundcheck gebeurt in eerste instantie om het geluid in te stellen. Dat klinkt heel logisch, maar vaak ontaardt de soundcheck in een ver- edelde repetitie. Dat hoeft niet erg te zijn, maar ik maak vaak mee dat de muzikanten meer bezig zijn met het oefenen van een nieuw nummer dan met hun sound. Het gevolg is vaak dat er na afloop van de sound- check pas vragen komen als: ‘Mag ik nog ietsje meer monitor?’ Dat is niet alleen lastig voor de technicus, maar ook voor de overige bandle- den. Het podiumgeluid kan door deze ingreep veranderen en dus klinkt het voor iedereen anders aan het begin van het optreden. Probeer daarom aan het begin van de soundcheck eerst te werken aan een goed geluid. Zodra dit staat, is het meestal geen probleem als je daar- na als band even gaat repeteren.

BALANS

Een ander veel voorkomend pro- bleem is dat een van de muzikanten tijdens een soundcheck alle vocal- microfoons gaat controleren en dan constateert dat de ene microfoon harder op de monitors staat dan de andere. Dat klopt inderdaad. De kans dat de stemmen van de voca- listen allemaal exact even hard zijn, is nihil en dus is er per vocalist een ander volume op de monitors nodig. Als op voorspraak van een bandlid de balans ineens weer aan- gepast moet worden, is het gevolg meestal dat tijdens het optreden de mix nogmaals gemaakt moet wor- den. Overigens kan de technicus veel doen om voorgaande te voor- komen. Probeer als technicus tij- dens de soundcheck even op het podium mee te luisteren. Dat geeft

je een goed beeld van het geluid op het podium. Je kunt nu gelijk aan alle muzikanten vragen of ze blij worden van de sound en er is ruim- te om te overleggen met dezelfde basisinformatie (het podiumgeluid). Als de zanger bijvoorbeeld moeite heeft zichzelf te horen, dan is het niet altijd gezegd dat dit goed wordt opgelost door zijn microfoon harder te zetten. Wellicht is er iets anders aan de hand. Misschien zijn de ove- rige instrumenten juist te hard op de zangmonitor. Alleen al om deze reden is het goed om altijd even op het podium mee te luisteren. Een muzikant is over het algemeen geen technicus en weet wellicht niet waarom hij/zij zichzelf niet goed kan horen.

SLEUTELEN

Wat ook vaak gebeurt, is dat tijdens het inregelen van de drums de hele band alvast gaat meespelen. Dat lijkt niet echt een probleem, maar is het wel. De technicus heeft echt even tijd nodig om een goede sound te maken en dat is erg lastig als er andere instrumenten mee- doen. De oorzaak is vaak dat de hele band al op het podium staat te wachten tot de drums gesound- checkt zijn en onwillekeurig mee gaat spelen. Om dit te voorkomen kun je een soundcheck-schema opstellen waarbij je afspreekt dat de eerstvolgende muzikant pas het podium opgaat zodra de voorgaan- de muzikant is begonnen met zijn soundcheck. Een veelgebruikt sche- ma voor een soundcheck is: drums, basgitaar, elektrisch gitaar, key- boards en dan vocals. Zodra de vocals afgerond zijn, kan er gelijk een ‘totaaltje’ gedaan worden, omdat iedereen dan op het podium staat.

Ik zie ook regelmatig dat de techni- cus een kwartier gaat sleutelen aan de sound van bijvoorbeeld de bass- drum. Als dit zolang duurt, dan betekent dit nagenoeg altijd een verkeerde microfoonkeuze, een slechte akoestische drumsound of iets anders wat niet snel aan te pas- sen is. Los dergelijke zaken zo mogelijk na de soundcheck op. Dat voorkomt dat de rest van de band te lang moet wachten. Overigens wil dit helemaal niet zeggen dat je als technicus snel tevreden moet zijn. Maar probeer een afweging te maken tussen enerzijds de optimale sound en anderzijds de wachtende musici. Wellicht is er na de sound- check nog even tijd om de puntjes op de i te zetten om zodoende toch een perfecte sound neer te zetten.

SLINGER

Met een beetje passen en meten is er best iets van een soundcheck te

maken. Voorwaarde is dat iedereen het belang ervan inziet en begrijpt dat de technicus tijd nodig heeft om zijn/haar ding te kunnen doen. Er zitten op een gemiddelde mengtafel al gauw meer dan 500 knoppen, die wellicht allemaal een slinger moe- ten hebben. Kleine tip tot slot voor iedereen behalve de technicus: bemoei je tijdens de soundcheck niet met zijn/haar werk, tenzij je heel zeker van je zaak bent. Als je denkt dat de technicus hulp op prijs stelt, dan is het beter dit eerst even te overleggen. Je stelt het waar- schijnlijk zelf ook niet op prijs als de technicus komt uitleggen hoe jij je instrument moet gebruiken.

Heb je vragen over live-sound of suggesties voor Auke‘s maandelijkse rubriek? Stuur dan een mailtje naar livesounddokter@musicmaker.nl! 

Houd je DJ in de gaten

Als je even niet oplet, kan er een boel onherstelbaar mis gaan in je studio- of live-setup. Eén van de grootste risico’s is die van vervorming, die in verschillende componenten van je audioketen kan optreden.

TEKST: AUKE MEIJER

Vervorming wordt veroorzaakt door- dat een elektronisch component niet meer in staat is het aangeboden sig- naal goed te verwerken. Bij een mengtafel kan dit bijvoorbeeld een opamp zijn (een klein ic-tje dat het inkomende signaal versterkt). Als het aangeboden signaal te hoog wordt kan de opamp dit niet meer met de geplande versterkingsfactor doorvoe- ren en gaat ie clippen. Clippen heb ik al eens besproken in een eerder arti- kel van Sound & Stage en is het afvlakken van de sinus (in het geval van audio dan).

Om dit te verduidelijken: neem een normale sinus en stel je voor dat de toppen van deze sinus plat worden geslagen. Stel je nu voor dat een luidspreker heen en weer beweegt volgens deze sinus. Als de sinus naar boven gaat, gaat de luidspreker in werkelijkheid naar voren en vice ver- sa. Op het moment dat de golf clipt (vlakke top) blijft de luidspreker even stil staan voordat ie weer naar voren of achteren gaat. Omdat een luidspre- ker relatief inefficiënt is en veel van het aangeboden vermogen omzet in warmte, is het noodzakelijk dat de luidspreker in beweging blijft om zichzelf te koelen. Bij een clippend signaal lukt dit niet omdat de luid- spreker dan even stil staat. Het gevolg kan zijn dat je luidspreker ver- brandt, met als gevolg onherstelbare schade.

Behalve een beschadiging van een luidspreker kan het oversturen van een opamp ook tot gevolg hebben dat deze zelf defect raakt. Doordat het ingangssignaal van de opamp te hoog is word deze relatief erg warm. Boven een bepaald punt zal de opamp beschadigd raken en ver-

branden. In extreme gevallen (als je bijvoorbeeld de luidsprekeruitgang van een basversterker in je mengta- fel plugt) ontploft de opamp letter- lijk. Die kan je dan dus ook wel weg- gooien.

Vervorming heeft ook een ander effect. Onze oren detecteren vervor- ming ongemerkt redelijk snel. Als een luidsprekersysteem behalve normale audio ook vervorming weergeeft dan klinkt het voor ons gevoel alsof het luidsprekersysteem te hard staat (wat ook vaak het geval is, natuurlijk). Op het moment dat de vervorming weg- gehaald wordt nemen we het waar alsof alles ineens zachter staat. Dit is in de praktijk echter niet het geval. Op die manier is de vervorming een soort van alarmbel dat het systeem te hard staat. Dit is echter geen reden om een systeem ‘dan maar iets te laten vervormen’ aangezien de moge- lijke schade behoorlijk in de papieren kan lopen.

Vervorming is goed te voorkomen door kritisch te zijn bij het inregelen van het systeem. Check op de mengtafel met behulp van een hoofdtelefoon of iedere ingang ver- vormingsvrij binnen komt. Op nage- noeg alle mengtafels zit een zoge- naamde piek-led. Deze gaat branden als het inkomende signaal te hoog is. Het is uiteraard zaak te zorgen dat je altijd onder deze grens blijft. Maar ook al blijf je hier beneden, dan nog kan er vervorming in het inkomende signaal zitten. Dat is dan al ontstaan voordat het signaal de mengtafel binnenkomt door bijvoor- beeld een slecht ingestelde DI-box of een vervormende microfoon.

Een geval apart is naar mijn mening de categorie dj-mixers. Deze specifie- ke mengtafels worden erg vaak maxi-

maal in de vervorming gestuurd om te zorgen dat het zo hard mogelijk gaat. Mocht je een technicus zijn die een dergelijke set bedient of beheert, kijk dan even of het mogelijk is de uitgang van de mengtafel te corrige- ren zonder dat de meters een lager niveau aangeven. Over het algemeen zal een (amateur-)dj het systeem toch maximaal laten uitsturen. Indien het mogelijk is het systeem zachter te zet- ten terwijl de meters wel maximaal gaan, is iedereen blij. Jouw set blijft heel en de dj heeft het gevoel dat hij het maximale uit het systeem haalt. Een aantal dj-mixers heeft een derge- lijke insteloptie, dus blijkbaar hebben de fabrikanten ook al geconstateerd dat er genoeg reden is om een der- gelijke aanpassing mogelijk te maken. Uiteraard is het nog beter om een afspraak te maken met de dj over het maximale level wat hij/zij veilig kan uitsturen.

Achter de mengtafel gebruik je wel- licht een equalizer. Ook deze kan vervormen. Op veel equalizers zit een piekled; ook hier moet je op blij- ven letten. Tot slot zitten er vaak piekleds op de processor die het

luidsprekersysteem aanstuurt of op de versterker.

Het gebeurt in de praktijk maar al te vaak dat alles uit het systeem wordt gehaald om een bepaald volume te bereiken. Op zich is dit begrijpelijk maar denk altijd aan de mogelijke gevolgen, zeker als je als gasttechni- cus op andermans materialen werkt. Ik zie in de praktijk vaak dat een gast- technicus zonder overleg alle meters en leds in het rood stuurt omdat hij/ zij harder wil draaien. Gevolg is meestal veel vervorming en in het ergste geval zelfs schade. Accepteer het dat de grens van het systeem bereikt is en dat het niet handig is als je met veel vervorming een sys- teem harder probeert te laten klin- ken. Overigens is het zeer waar- schijnlijk zo dat het systeem op dat moment helemaal niet harder gaat maar dat je oren vanwege de vervor- ming het gevoel hebben dat het sys- teem harder gaat.

Heb je vragen over live-sound of sug- gesties voor Auke’s maandelijkse rubriek? Stuur dan een mailtje naar livesounddokter@musicmaker.nl! 

Eigen monitortechnicus, of niet?

 

Onlangs kreeg ik de vraag of het verstandig is om in plaats van een eigen front-of-housetechnicus een eigen monitortechnicus mee te nemen naar een concert. In de ideale wereld neem je uiteraard je eigen monitortech- nicus én eigen front-of-housetechnicus mee, maar helaas laat het budget dat niet altijd toe. Deze maand een aantal afwegingen die je wellicht kunnen helpen om een haast onmogelijke keuze te maken.

TEKST: AUKE MEIJER

Als je als band optreedt op een locatie die goede eigen technici heeft, dan is het wellicht een over- weging om te bezuinigen op de kosten voor eigen technici. In veel gevallen wordt er besloten om in dat geval een van de technici thuis te laten. Het zal niemand verbazen dat ik dat per definitie geen goede keuze vind, omdat zowel de moni- tortechnicus als de front-of-house- technicus beiden een heel specifie- ke taak hebben en niet zomaar ver- vangen kunnen worden. De moni- tortechnicus houdt zich hoofdzake- lijk bezig met het geluid op het podium en zorgt er in eerste instantie voor dat de muzikanten tevreden zijn. Doordat de eigen monitortechnicus de muzikanten goed kent en alle wensen in kaart heeft, scheelt dit veel tijd tijdens een soundcheck en geeft het de muzikanten een vertrouwd gevoel. Aan de andere kant kent de eigen front-of-housetechnicus de muziek goed; hij weet bijvoorbeeld waar de gitarist switcht van clean naar distortion, welke delay op welk moment moet komen et cetera. Vanuit dit perspectief gezien zijn beide technici onmisbaar. Laat je

de monitorman thuis, dan is het goed mogelijk dat je net niet (of zelfs helemaal niet) dát geluid hebt op de monitors dat je nodig bent om een goede performance te geven. Laat je de front-of-house- technicus thuis, dan is de kans aan- wezig dat het publiek een totaal andere beleving heeft dan wat je als band graag wilt overbrengen.

LIJST

Zoals gezegd, in de ideale wereld zouden beide disciplines niet zomaar door anderen uitgevoerd moeten worden. Maar als je echt moet kiezen is het verstandig om
in beide gevallen een uitgebreide lijst met wensen te maken, zodat de vaste zaaltechnicus weet wat hij kan verwachten. Het lastige van het

vervangen van je front-of-house- technicus is altijd dat je als muzi- kant tijdens het concert niet een- voudig kunt aangeven wat er even- tueel anders moet. Met de monitor- technicus kun je als muzikant veel eenvoudiger communiceren in het geval er iets niet geheel naar wens is. De andere kant van het verhaal is dat je als muzikant vaak een veel

betere performance geeft wanneer je een goed geluid op de monitors hebt. Dat maakt het per saldo ook eenvoudiger voor de ‘onbekende’ front-of-housetechnicus. Zijn de monitors niet goed, dan heeft dit meestal ook negatieve gevolgen voor het zaalgeluid, omdat de band dan vaak minder goed speelt.

SOLO

Zoals je ziet is het lastig om een duidelijk antwoord te geven op de vraag of het beter is een eigen monitortechnicus mee te nemen, in plaats van een eigen front-of- housetechnicus. Er zijn te veel vari- abelen. Los van de genoemde zaken zijn er nog veel meer afwe- gingen die je moet maken. Groten- deels hangt het ook af van de loca- tie waar je gaat spelen. Zijn de lokale technici capabel om een goe- de mix te maken, zorgt de monitor- technicus ook voor de backline, et cetera. In alle gevallen is het nood- zakelijk dat je een goede lijst maakt met je wensen en de sfeer van een nummer, en bijvoorbeeld wie er wanneer een solo speelt. In het geval je wel een eigen monitortech- nicus hebt, is het maar de vraag of de lokale front-of-housetechnicus de sfeer van een nummer kan inschat- ten en bijvoorbeeld direct doorheeft dat er een gitaarsolo gaande is.

MENING

Als het goed is dan zijn de technici een verlengstuk van de band en praktisch gezien lastig te vervangen. In het geval dat de gitarist ziek is, is het misschien ook wel mogelijk om met een invaller te spelen, maar dat speelt toch behoorlijk anders. Zowel

de monitortechnicus als de front-of- housetechnicus zijn essentieel voor een goed optreden en net als een gitarist of ander bandlid moeilijk te vervangen. Ik weet dat er wel eens gedacht wordt dat de lokale technici de materialen waarmee ze werken en de akoestiek van de locatie het best kennen, maar ze kennen zo goed als zeker niet de muziek die gespeeld wordt en dat is vele malen belangrijker. Ik mix zelf ook regel- matig een band die geen eigen tech- nicus heeft. Dat gaat meestal wel goed, maar blijft erg lastig omdat ik eenvoudigweg niet exact weet hoe de opbouw van de muziek is; of het de bedoeling is dat de gitaar relatief hard staat en of het normaal is dat de keyboardpartijen in sommige passages heel zacht zijn. Ik vraag in veel gevallen een bekende van de band om zijn/haar mening te geven, bij voorkeur aan het begin van het concert.

Concreet gezegd: moeten kiezen heeft altijd een negatieve invloed op je geluid. Voor zowel een eigen monitor- als front-of-housetechnicus zijn legio voordelen op te noemen, maar de afwezigheid van een van de twee zul je altijd merken. Hoe goed de vaste lokale technicus ook is.

Geluidsexpert Auke Meijer is sinds vorige maand Musicmakers eigen Livesound-dokter! Heb je vragen over livesound of suggesties voor zijn maandelijkse rubriek?

Stuur dan een mailtje naar livesounddokter@musicmaker.nl!

 

De technicus als klankbord

Meedenken met de muzikant en luisteren naar problemen zijn voor een technicus van even cruciaal belang als het indrukken van knopjes. Je bent namelijk bijna nooit alleen de audio-nerd, maar meer dan eens ook vertrouwenspersoon, klankbord en parttime psycholoog. Geluidsexpert Auke Meijer over de andere kanten van het technicusschap dan het maken van een mooie zaalmix.

 

TEKST: AUKE MEIJER

Het is mij regelmatig overkomen. Omdat je als technicus vaak eerder op locatie bent, komt het vaak voor dat een muzikant die er ook wat eer- der is dan de rest zijn of haar hart lucht over zaken die niet goed zouden lopen. Soms heeft dat te maken met praktische zaken, zoals het geluid of licht, maar in veel gevallen gaat het over de samenwerking tussen de muzikanten onderling. De verstand- houding met de manager, ongemoti- veerde houdingen binnen de band, het voedsel…

VERTROUWEN

Ondanks dat dit soort zaken relatief ver van het feitelijke mixen af lijken te staan, is het luisteren naar muzi- kanten toch een belangrijk aspect van ons vak. Iedereen heeft wel eens een vertrouwenspersoon nodig om zijn verhaal te kunnen doen. Met name op tour zie je meestal weinig andere mensen dan je bandleden en komt het meer dan eens voor dat je de technicus gebruikt als klankbord. Dit heeft vaak meerdere gunstige effec- ten. Als je als technicus dit goed

 

oppakt, win je ook vertrouwen bij de muzikant in kwestie en gaat de samenwerking er vaak op vooruit. Als je als technicus later iets van hem of haar vraagt, dan word je op jouw beurt meestal ook serieus genomen. Er is dan een bepaalde band ont- staan.

Los van de functie als ‘psycholoog’

 

kun je als technicus met je persoonlij- ke houding ook veel invloed hebben op de band en de samenwerking bin- nen de groep. Ik heb vaak het gevoel dat je als technicus bepaalde onder- werpen makkelijker kunt aansnijden dan de bandleden zelf. Bijvoorbeeld als je vindt dat er bij een bepaald nummer te weinig ruimte is voor de instrumenten onderling. Vanuit je

 

technische positie kun je vaak veel bijdragen aan de sound van de band door ook je mening te geven over dit soort muzikale aspecten. Uiteraard moet men dat wel op prijs stellen, en hierdoor is het soms alsof je op eie- ren loopt. De ene dag heb je het gevoel dat je alles kunt zeggen en de volgende dag is een kleine opmer- king al te veel.


BALANS

Naast deze factoren heeft je houding ook veel invloed op het concert zelf. Als je als technicus vertrouwen uit- straalt, speelt de band vaak ook beter. Men heeft het gevoel dat de techniek helemaal onder controle is en gaat er helemaal voor. Maak je als technicus een wat onzekere indruk, dan vindt men het geluid ook snel minder, terwijl dit in principe los van elkaar staat. Als je als technicus hier- in een goede balans kunt vinden, zul je zien dat je vanzelf een bepaald ver- trouwen krijgt en er gefocust gewerkt wordt door iedereen.

Je hebt zelf veel invloed over de mate waarin men je durft te vertrou- wen. Stel je vooral open voor opmer- kingen en probeer je altijd te ver- plaatsen in de ander. Ga bijvoorbeeld altijd even luisteren op het podium en vraag nadrukkelijk of het monitor- geluid goed is. Denk daarbij ook zelf mee. Het alleen harder zetten van een bepaald instrument is vaak niet de enige oplossing. Het kan heel goed zijn dat je in overleg besluit om een bepaald instrument juist zachter in de mix te zetten. Dit soort adviezen kun je alleen geven als je daadwerkelijk op het podium bent en meeluistert met de muzikanten.

AANDACHT

Neem daarnaast altijd de tijd om bepaalde zaken goed uit te leggen. Als technicus weet je meestal precies waarom iets wel of niet mogelijk is, maar voor een muzikant is dat soms helemaal niet zo vanzelfsprekend. Als je bijvoorbeeld een koor moet ver-

sterken, krijg je meestal de vraag of het hele koor ook op de monitors kan. In het geval dat je de zangers versterkt met condensatormicrofoons is dit praktisch onmogelijk. Als je alleen aangeeft dat het niet kan, denkt men vaak dat je er gewoon geen zin in heb. Als je uitlegt dat het lastig is vanwege de feedback en dat het praktisch gezien ook geen oplos- singis-alsjeeenheelkooropde monitors zet, kan die ene persoon zichzelf nog steeds niet goed horen – dan is mijn ervaring dat het probleem meestal al opgelost is. Alleen door het geven van aandacht.

Tot slot moet je niet onderschatten wat spanning teweegbrengt bij de muzikanten. Vlak voor de show zijn heel vaak de monitors opeens niet meer goed en horen ze zichzelf niet. Wees heel voorzichtig met dit op te lossen door ineens een andere mix te maken. Het is veel beter om de muzi- kant in kwestie even de benodigde aandacht te geven en af te spreken dat je hem of haar in de gaten houdt bij het eerste nummer en het geluid direct zult aanpassen als dit nodig mocht zijn. In veel gevallen hoef je dan helemaal niets aan te passen, omdat men de spanning kwijt is en er helemaal op vertrouwt dat het goed gaat komen.

Geluidsexpert Auke Meijer is vanaf deze maand Livesound-dokter! Heb je vragen over livesound of suggesties voor zijn maandelijkse rubriek?
Stuur dan een mailtje naar livesounddokter@musicmaker.nl! De technicus als klankbord.